Cursus Raku / Objecten, in- en uitvoer en excepties / Klassen en objecten
Klassen
Tot nu toe waren de gegevenstypen die je gebruikt hebt — getallen, strings, arrays enzovoort — allemaal in Raku ingebouwd. Met objectgeoriënteerd programmeren kun je je eigen typen definiëren, klassen genoemd, en waarden van die typen maken, objecten genoemd.
Een klasse wordt gedefinieerd met het sleutelwoord
class, gevolgd door een naam en een blok:
class Dog {
}Deze klasse Dog is voorlopig leeg, maar het is al een
nieuw type. Om een object van de klasse te maken — een
instantie — roep je de methode new aan op de naam
van de klasse:
class Dog {
}
my $rex = Dog.new;
say $rex; # Dog.newDe variabele $rex bevat nu een Dog-object.
Elke aanroep van new maakt een apart object:
my $rex = Dog.new;
my $fido = Dog.new;$rex en $fido zijn twee verschillende
honden, ook al heeft de klasse nog geen inhoud. In de volgende secties
geef je een klasse haar eigen gegevens (attributen) en haar
eigen gedrag (methoden). Het eerste onderwerp kijkt
nauwkeuriger naar het verschil tussen een klasse en haar instanties.
Ook in deze sectie
Praktijk
Maak de 1 quiz over de inhoud van deze sectie.
Oefeningen
Deze sectie bevat 2 oefeningen. Bekijk alle onderwerpen van deze sectie voordat je aan de oefeningen begint.